Omloop der Slagvelden | De meest heroïsche wielerwedstrijd ooit
Waar ben je naar op zoek?
Cycling Vlaanderen gebruikt cookies om uw surfervaring op deze website beter te maken.
ik ga akkoord
nieuws
23/03

Omloop der Slagvelden | De meest heroïsche wielerwedstrijd ooit

Algemeen

Wil jij deelnemen aan deze heroïsche wedstrijd?

Schrijf je vandaag nog in! Als je durft... ;-)

Toen Le Petit Journal op 19 december augustus 1918 ter ere van de vele soldaten die voor de overwinning hebben gestreden, een wielerwedstrijd langsheen de slagvelden van het westelijke front aankondigde, werd de Parijse krant door velen gek verklaard. Wie organiseert een wielerkoers van bijna 2.000 kilometer door verwoeste oorlogsgebieden over nog nauwelijks toegankelijke wegen?

De fietsenfabrikanten waren er nog het minst gerust in. Geen fiets, hoe degelijk hun rijwielen ook waren, was bestand tegen zo’n onmogelijke uitdaging. En toch volharde de initiatiefnemer. De gemotoriseerde oorlogstuigen, alsook de onvermoeibare militaire ‘cyclisten’, hadden deze soms omgewoelde frontwegen immers ook getrotseerd. Niemand minder dan sportdirecteur Alphonse Steines, die al meer dan vijftien jaar gepokt en gemazeld was in de Franse wielersport, werd voor de praktische organisatie op pad gestuurd. In een robuuste automobiel, volgeladen met affiches, spandoeken en driehonderd kilo aan allerlei benodigdheden, reed hij met zijn chauffeur het gehele traject af. Hoe goed hij zijn exploratietocht vanuit Parijs ook had voorbereid, ontzettend groot bleef zijn verbazing bij het zien van het landschap dat de scenografen van het ‘théâtre de la guerre’ tot een pokdalig, kaal terrein, tot een niemandsland van putten en bulten had omgevormd. Eén poel van ramp en ellende, puin en vernieling. Nergens groeide er nog een boom, enkel hier en daar wat jong schaarhout en wilde bloemen en planten die de eerste lente zonder kogelgefluit aankondigden. Al bleef, ook volgens hem, het organiseren van een wielerwedstrijd voor meer dan honderd renners op breekbare fietsen en kapotte frontwegen een overmoedige en roekeloze onderneming, hij besefte maar al te goed dat zijn missie in het belang van de krant moest slagen. Trouwens, maar liefst 137 renners hadden zich intussen ingeschreven, ongetwijfeld aangetrokken tot de enorme prijzenpot die Le Petit Journal hen voorhield. Los van de prijzen die diverse steden langsheen het traject uitloofden, zette de Le Petit Journal alleen al 40.300 Franse frank aan prijzengeld in. Bovendien gaf de organisator, Le Petit Journal, wat voorheen nog nooit gebeurd was, aan iedere deelnemer een dagvergoeding bovenop een voor iedereen gelijke bevoorrading. Na enkele dagen rondtoeren telegrafeerde Alphonse Steines dan ook naar zijn opdrachtgever dat de wegen zeer slecht maar niet onmogelijk waren. Laconiek voegde hij er wel meteen aan toe dat de winnaar wel over een buitengewoon rijwiel zou moeten beschikken. Wel stelde hij tot zijn vreugde overal een grote bereidwilligheid vast om aan de praktische organisatie mee te werken. De oorlog had lang genoeg geduurd om nog langer over de schouder te kijken. Aan de vooravond van de grote start in Straatsburg op 28 april 1919 bleken van de 138 ingeschrevenen echter maar 87 effectief gemachtigd om aan de startmeet te verschijnen. Toch was Le Petit Journal best tevreden. Sinds 11 november 1918 zwegen na vier jaar weliswaar de wapens, maar officieel was het echter nog altijd oorlogstijd. Voor de renners betekende dit een bijna onoverkomelijke administratieve rompslomp. De Omloop deed immers Frankrijk, Luxemburg en België aan. Deze landen reed men niet zomaar binnen en buiten zonder de nodige vergunningen. Een aantal renners waren daar duidelijk niet in geslaagd. Bovendien waren diverse renners nog onder de wapens, ondermeer om het Rijnland te bezetten. Om te kunnen deelnemen moesten zij proberen een dienstvrijstelling te verkrijgen.

Onmenselijke ronde van het Westfront

Hoe dan ook, de Omloop van de Slagvelden, die tegenstanders omwille van het oorlogstracé als ‘terrible’ en ‘impossible’ bestempelden, beloofde een spannende strijd die wel eens voor verrassingen zou kunnen zorgen. Onder de effectieve deelnemers lieten zich immers diverse grote tenoren opmerken zoals Jean Alavoine, Maurice Brocco, René Chassot, Charles Deruyter, Paul Duboc, Oscar Egg, René Guénot, Henri Hanlet, Alfons Lauwers, Edouard Léonard, Ali Neffati, Pierre Vandevelde, Henri Van Lerberghe en Aloïs Verstraeten. Ook een aantal jongere, zeer beloftevolle coureurs, zoals Lucien Buysse, Albert Dejonghe, Hector Heusghem, Jules Van Hevel en José Pelletier dienden zich aan. Een van hen zou naar alle waarschijnlijkheid le roi des routiers’ worden. Maar eerst moesten zij, zoals velen onder hen de meedogenloze oorlog hadden overleefd, ook deze onmenselijke ronde van het Westfront in over veertien dagen gespreide zeven etappes weten door te komen.

C’est la fête du muscle qui commence

Op maandag 28 april 1919 was het dan eindelijk zover. 87 renners uit Frankrijk, Luxemburg, België, Zwitserland en Tunesië verschenen in Straatsburg aan de start van de Omloop van de Slagvelden. Hun outfit was duidelijk aangepast aan het karakter van de koers. Zelfs zonder rugnummer waren ze met hun met opvallende bretellen opgehouden lange onderbroeken, zwarte truien, capes, vesten, grove schoenen, sportkousen als militaire beenomhulsels, stofbrillen, wanten en halsdoeken van ver te herkennen. Na het afroepen van hun namen gaf om stipt zes uur in aanwezigheid van een joelend publiek een pistoolschot het langverwachte startsein. ‘C’est la fête du muscle qui commence’ schreef Le Petit Journal.

Een mooi voorjaarsweer kondigde zich aan voor deze eerste etappe, die de Omlooprenners van Straatsburg via Metz naar Luxemburg voerde. Lotharingen en Elzas, de twee gebieden die ze daarbij doorkruisten, hebben vooral voor de Franse coureurs een grote symbolische betekenis. Na hun verlies met de Frans-Pruisische Oorlog in 1871 vormden deze streken voor de Fransen de inzet van hun ‘revanche’ waartoe de voorbije oorlog de gelegenheid gaf. Na enkele kilometers sloegen de mooie weersverwachtingen om in een barre voorjaarsstorm. Slechte wegen in combinatie met regen, sneeuw en wind beloofden niet veel goeds. Een sinecure werd het sowieso niet, maar misschien wel een kolfje naar de hand van de beruchte Flandriens. Tenminste als ze van pech en ongevallen gespaard blijven. Want het wedstrijdreglement stelde dat men bij een door de renner niet zelf te herstellen fietsbreuk, uit de koers moest stappen. Als de ‘vélo’ belangrijker was dan de ‘coureur’, dat ze die dan maar alleen lieten rijden zonder renner, vloekten de renners wel eens. Om onderweg zelf herstellingen te kunnen uitvoeren sleurden ze intussen wel wat ballast mee, zoals wielspaken, een spaaksleutel, een sterke schroevendraaier die desnoods ook als beitel kan dienen, een Engelse sleutel en kettingschakels. Rond hun nek droegen ze drie ‘tuben’ van zo’n driekwart kilo, lekke banden waren trouwens nooit ver weg. Om honger en dorst te laven hadden ze daarenboven ook nog eens twee volle drinkbussen op hun stuur en een knapzak vol eten, veelal een zestal boterhammen met platte kaas, wat schaapskoteletten, en enkele stukken fruit. Even voorbij Thionville, na meer dan tweehonderd kilometer, liep het voor de Flandriens die intussen aan de leiding reden echter mis. Aan een kruispunt waren de wegwijzers verdwenen en sloegen Henri van Lerberghe, Jules Van Hevel en Basiel Matthys de verkeerde weg in. Maar liefst tien kilometer reden ze verkeerd. Ook al reden ze daarna ‘als brieschende leeuwen’, toch konden ze Oscar Egg de eerste ritzege niet meer ontnemen.

Een escadron peerdemannen, waaronder er dan nog velen manken...

Twee dagen later stonden de renners klaar voor de tweede etappe. Nog 68 baanduivels waren van de partij. Ditmaal bracht de Omloop hen voorbij de slagvelden rond Martelange, Bastogne, Luik, Tienen en zoveel andere plaatsen langswaar de Duitsers na hun inval in België op 4 augustus 1914, naar Brussel waren opgerukt. Opnieuw wees alles erop dat ze met hun allen de speelbal zouden worden van een weerzinwekkende koude, een striemende regen, kleverige modder en verraderlijke gladheid op de Belgische kasseiwegen. Dit laatste ervoer in het bijzonder Oscar Egg, de gedoodverfde winnaar van de Omloop, toen hij bij een valpartij zijn stuur brak en noodgedwongen uit de koers moest stappen. Voor Albert Dejonghe kon het geluk dan weer niet op. Als beloftevolle Flandrien mocht hij als eerste de hoofdstad innemen. Daags na 1 mei boden er zich nog 42 renners aan voor de derde etappe die de militaire ‘race naar de zee’ in herinnering bracht en de slagvelden aan de IJzer, rond Ieper en aan de Somme aansneed. De slechte wegen en het barre weer hadden onder de renners overduidelijk al hun tol geëist, en dat terwijl de twee voorgaande etappes eigenlijk nog maar oefenritten waren in vergelijking met wat de renners tussen Brussel en Amiens te wachten stond. Alleen al de toestand van de wegen, vooral eenmaal voorbij Beerst, was gewoonweg niet te vergelijken. De zwaarste kanonnen hadden er vier jaar lang dood en vernieling gezaaid. Gans de streek was er herschapen in een echte woestenij, bezaaid met afgeschoten bomen en puinhopen. Bovendien zat ook dit keer het weer de renners helemaal niet mee. Het was koud, het regende, en de wind sneed door merg en been. Maar, schreef sportjournalist Karel Van Wijnendale, “al zit de lucht grulledikke van de vlage, toch laten deze koene pedaalridders zich niet versagen”. Wat ze bij de start echter nog niet wisten, was dat de tocht zo moeizaam zou verlopen dat velen onder hen de nacht in de loopgrachten zouden doorbrengen en pas de 3de mei in de loop van de dag Amiens zouden bereiken. Enkel de winnaar, Charles Deruyter, kwam nog dezelfde dag aan.

Door deze onmogelijke etappe dienden er zich voor de etappe Amiens-Parijs op zondag 4 mei nog amper 29 renners aan. Van ‘een leger felle kampioenen, in blinkende wapenuitrusting’, restte, zo schreef Sportwereld, nog slechts ‘een escadron peerdemannen, waaronder er dan nog velen manken’. Groot was dan ook de schrik bij Le Petit Journal dat de Omloop van de Slagvelden voortijdig op het wielerveld zou sneuvelen, en dit terwijl er nog vier ritten moesten gereden worden. Een meevaller voor de renners die hun tocht door de slagvelden aan de Somme vervolgden om via de Hindenburg- linie de slagvelden aan de Aisne te doorkruisen, waren gelukkig het mooie weer en de deugddoende zuiderwind. De wegen lagen er nog altijd even slecht bij, waardoor uiteindelijk toch maar 24 renners de eindmeet te Parijs halen. De eerste die in de late namiddag het Parc des Princes opreed, was opnieuw Charles Deruyter. Na twee dagjes Parijs, dat bij de frontsoldaten onder de renners ongetwijfeld herinneringen opriep aan ‘le Paris méchant’, verschenen er op 7 mei nog 22 renners voor de vijfde etappe. Op het programma stonden de roemrijke slagvelden van de Marne en via Reims de door het herfstoffensief van 1915 getekende Champagnestreek. Van daaruit ging het langsheen de oorlogsstellingen in de Argonne om op het slagveld van Verdun de weg te zoeken naar Bar-le- Duc. Eens te meer waren de wegen barslecht. Maar al te zeer ervoeren de renners dat de Franse luitenant Jacques d’Arnoux geenszin had gelogen toe hij schreef: ‘Celui qui n’a pas fait Verdun, n’a pas fait la guerre’. Dit inferno vertaalde zich voor de renners in een volledig geraseerd landschap. Gedeprimeerd door zoveel oorlogsellende kwamen met het trio Alavoine, Heusghem en Desmedt de eerste renners rond zes uur ‘s avonds in Bar-le-Duc aan. Jean Alavoine, de nestor van het drietal, won de sprint met iets meer dan een lengte voorsprong op de Waal Hector Heusghem en de Flandrien Albert Desmedt, respectievelijk tweede en derde. Le Petit Journal was verheugd. De Omloop van de Slagvelden bleek niet langer een uitputtingsslag.

Voor de zesde rit op 9 mei bleven nog 21 renners in het zadel. Deze etappe voerde de renners weliswaar nog tot voorbij Saint-Mihiel langs een laatste stukje front, maar daarna namen betere wegen hen mee door een deel van het door de Fransen herwonnen Elzas-Lotharingen over de Col-du-Plafond en de Ballon d’Alsace, tot in het op de Porte d’Alsace gelegen Belfort. Maar of deze rit een fluitje van een cent zou worden, viel met de beruchte Ballon d’Alsace echter nog af te wachten. Eenmaal op deze 1.247 m hoge berg, bleken de volgwagens zich in de sneeuw vast te rijden. Maar waar de techniek faalde, overwon de menselijke veerkracht. Alle renners wisten zich door de sneeuw en de met loopgrachten doorkliefde bergtop een weg te banen. Spectaculair was de wijze waarop Hector Heusghem dit klaar speelde en daarmee deze rit aan zijn palmares toevoegde.

Triompheur de l’impossible

Op 11 mei was het dan uiteindelijk zover. Wat zeer velen voor onmogelijk hadden gehouden, was werkelijkheid geworden. 21 renners maakten zich op voor de slotrit van Belfort naar Straatsburg. Dat de Omloop niet alleen in Straatsburg startte maar ook aankwam, had voor Le Petit Journal zijn reden. Een beter eerbetoon aan ‘les morts pour la patrie’ dan het in herinnering brengen van de herovering van Elzas-Lotharingen, dat Duitsland in 1870-1871 had geannexeerd, was in het toenmalige Frankrijk moeilijk denkbaar. Groot was dan ook de vreugde wanneer de verfranste Flandrien Charles Deruyter, met in zijn wiel Charles Kippert, rond halfvier als ‘triompheur de l’impossible’ er het Tivoli-park opreed. Met deze derde ritzege plaatste hij zich ook als eerste in het eindklassement. Twee Flandriens, Urbain Anseeuw en Henri Vanlerberghe namen de twee andere podiumplaatsen in de Omloop van de Slagvelden waarover Karel Van Wijnendale achteraf schreef: ‘Nooit, bij menschen geheugen, was een koers lastiger en gruwelijker; nooit wrocht hij moorddagiger op het gemoeden de lichaamlijke gesteltenis van een_ijder.’ Zou een een heruitgave van deze ‘by peace inspired’ meest heroïsche wielerwedstrijd ooit dan ook geen mooie afsluiter zijn van de herdenking van de Grote Oorlog?

Ga de uitdaging aan!

Helemaal overtuigd na het lezen van dit verhaal? Ervaar het zelf en doe mee!